Eindhoven staat er financieel goed voor en dat moet zo blijven. Onze begroting heeft een omvang van 1,3 miljard euro. We gaan verantwoord om met dit gemeenschapsgeld. De groei van de stad biedt zowel financiële kansen als uitdagingen. De dynamiek en opgaven waar we voor staan, vragen om investeringen, die vaak nog niet voor 100% gedekt zijn. We kijken daarvoor ook naar de bijdragen van andere partners. De vermogenspositie is nu gezond, maar de schuldpositie gaat als gevolg van alle investeringen stijgen. Dit alles vraagt keuzes. Onze richtinggevende uitspraken en spelregels staan hieronder. De concrete vertaling vindt plaats in de komende begrotingen.
Uitgangspunten
Van buiten
- Circulaires gemeentefonds van het Rijk.
- Gemeenschappelijk Financieel Toezichtskader van de provincie.
Van onszelf
- We voeren een solide financieel beleid. De begroting is gedurende de planperiode van vier jaar reëel en structureel sluitend. Langdurige uitgaven worden structureel gedekt.
- Beschikbare middelen, onder meer uit de herverdeling gemeentefonds en uit de maatregelen, zetten we volgens ons financieel afwegingskader eerst in op noodzakelijke correcties om de begroting sluitend te houden. Daaronder vallen (wijzigingen in) wettelijke taken, bestaande projecten met een externe tegenvaller en cofinancieringsverplichtingen. De middelen die daarna resteren zetten we in op de prioriteiten in dit akkoord.
- Ten aanzien van de jaarlijkse compensatie van loon-, prijs- en volumeontwikkelingen geven we – voorafgaand aan het jaar – door wat we van het Rijk krijgen. De bijstelling door het Rijk gedurende het jaar corrigeren we op de index van het jaar erna. We willen geen uitzonderingen meer op deze werkwijze. Onze inzet is om de werkwijze toe te passen bij subsidies, gemeenschappelijke regelingen, samenwerkingsverbanden waarin we participeren en voor onszelf.
- Wensen voor nieuw beleid of uitbreiding van bestaand beleid worden (ook incidenteel) integraal tegen elkaar afgewogen met inachtneming van de beschikbare financiële ruimte. Deze afweging vindt op twee momenten per jaar plaats: in het voorjaar bij de kadernota en in het najaar bij de begroting.
- Integrale afwegingen vinden plaats op basis van het financiële afwegingskader en door de raad vastgestelde uitgangspunten. Eventuele (tijdelijke) afwijkingen worden beargumenteerd voorgelegd.
- Kortingen op rijksmiddelen worden niet uit gemeentelijke middelen aangevuld en één op één doorgegeven, tenzij dit redelijkerwijs niet binnen het programma kan worden opgevangen. Bij taakwijzigingen vanuit het Rijk wordt meegewogen in hoeverre we hier al invulling aan geven.
- De tarieven van de gemeentelijke heffingen (waaronder afval en riool) zijn 100% kostendekkend. We komen met scenario’s over mogelijkheden om de kosten te verlagen en de effectiviteit te verhogen.
- Het is geen doel op zich om in de begroting beschikbaar gestelde budgetten volledig uit te geven. Dreigende overschrijdingen worden tijdig gesignaleerd en door passende maatregelen zoveel mogelijk voorkomen. Onvermijdbare overschrijdingen compenseren we binnen hetzelfde raadsprogramma.
- De wethouder Financiën ziet toe op de naleving van de financiële principes en wordt tijdig door portefeuillehouders geïnformeerd over (dreigende) afwijkingen en richt de organisatie daarop in.
- Bezuinigingen en ombuigingen boeken we op concrete posten in (en niet op een stelpost), zodat duidelijk wordt welke begrotingspost verlaagd wordt..
- We betrekken de ontwikkeling van de schuldpositie bij het aangaan van nieuwe financiële verplichtingen met een substantiële omvang; daarbij kijken we verder dan de planperiode van vier jaar.
- Reserves voorzien we van een onttrekkingsschema en lichten we jaarlijks door op noodzaak, toereikendheid, actualiteit en realisme. Bedragen waar geen activiteiten aan zijn verbonden of waarvan de termijn is verlopen vallen vrij.
- Het overhevelen van budgetten naar een volgend jaar kan alleen onder strikte voorwaarden. Een budgetoverheveling geldt voor 1 jaar, tenzij er door externe factoren vertraging is opgetreden.
- Een solide algemene buffer is noodzakelijk. We vullen het weerstandsvermogen aan tot 118 miljoen. We gaan de risico’s monitoren op basis van een dynamisch beeld. Dit is een technische berekening die we door de accountant laten controleren. We sturen op een weerstandsratio van 1,0 en deze wordt nooit lager dan 0,9. Het rekeningresultaat verrekenen we eerst met het weerstandsvermogen en alleen het meerdere boven de norm kan worden ingezet.
- Raad en college zijn samen integraal verantwoordelijk voor de gemeentelijke financiën. We doen geen voorstellen zonder dekking en schuiven geen financiële consequenties door naar later. We gaan geen verplichtingen aan zonder dekking en doen geen toezeggingen zonder gedekt besluit. Bij initiatieven van de gemeenteraad denkt het college constructief mee over mogelijke financiële dekking.
- We kijken in de kadernota en begroting op hoofdlijnen tien jaar vooruit naar de grote mutaties in de financiële positie, (de kapitaallasten van) bestaande en voorgenomen investeringen, het verloop van de reserves en de liquiditeitspositie.
De huidige begroting is structureel en reëel in evenwicht. Het startsaldo voor 2027 is nul. We zien vooralsnog geen verbetering in de structurele ruimte. Het Rijk volgt het advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) om ten aanzien van de herverdeling van het gemeentefonds het ingroeipad voor 2027 en 2028 te bevriezen op het niveau van 2026. Een volgende stap in het ingroeipad wordt voorzien per 1 januari 2029.
Om de ambities in dit akkoord waar te maken, gaan we aan deze knoppen draaien:
Structureel
- De veranderopgave Versterken van de uitvoering koppelen we aan een financiële taakstelling. We bouwen uitvoerende capaciteit uit en brengen beleids- en stafomvang terug om overhead te beperken. Ook zien we kansen om met een incidentele impuls op sociale en technologische innovatie onze dienstverlening te verbeteren en maatschappelijke opgaven aan te pakken om hiermee geld te besparen. We bezuinigen oplopend tot 2029 een bedrag van 15 miljoen structureel. De groeisystematiek ten aanzien van functies die werken voor de stad en de overheadsystematiek nemen we opnieuw onder de loep.
- We blijven bij het Rijk aandringen op uitvoering van de herverdeling gemeentefonds. Nieuwe stappen in 2029 en 2030 leiden tot een meeropbrengst van 8 miljoen structureel in 2030. We ramen de extra middelen vanuit het gemeentefonds vanwege de herverdeling structureel in vanaf het jaar 2029. Het risico dat in 2029 of verder opnieuw gepauzeerd wordt op de ingroei van deze extra middelen nemen we op in de risicoparagraaf.
- We rekenen door welke extra inkomsten we verwachten als gevolg van de groei van de stad door onder meer areaalgroei van woningen, nieuwe bedrijventerreinen, parkeren en toeristenbelasting. We analyseren de jaarlijkse onderuitputting en nemen hiervoor onderbouwde tegenramingen op in de begroting.
- Het is de basisafspraak dat de totale woonlasten voor woningen en de totale lasten voor niet-woningen jaarlijks maximaal stijgen met de verwachte inflatie. Als de stijging van de afvalstoffen- en rioolheffing zo hoog is dat het OZB-tarief woningen zou moeten dalen om per saldo de totale lasten op het niveau van de inflatie te beperken, bevriezen we het OZB-tarief.
- Als er – na het begroten van ambities en doorlopen van opties op bijsturing, besparing, fasering en inramen onderuitputting – nog een structureel tekort resulteert in het meerjarenbeeld, wordt de potentiële groei van de bijdrage gemeentefonds door de herverdeling buiten het meerjarenbeeld bij de afweging betrokken. Stijging van het OZB-tarief boven de inflatie is niet aan de orde zolang de meeropbrengsten binnen twee jaar na de laatste jaarschijf ook gerealiseerd worden door de stijging van de bijdrage uit het gemeentefonds. In die situatie kan het tekort incidenteel gefinancierd worden.
- Als een verdere stijging toch nodig blijkt te zijn, dan houden we de balans tussen woningen en niet-woningen in ogenschouw.
- Als er – na het begroten van ambities en doorlopen van opties op bijsturing, besparing, fasering en inramen onderuitputting – nog een structureel overschot blijkt, dan kijken we naar lastenverlichting.
Incidenteel
- We gaan uit van een netto rekeningresultaat over 2025 van 30 miljoen incidenteel.
- We lichten de bestaande reserves door en we verwachten hier een incidenteel bedrag aan ruimte te kunnen vinden. In de Begroting 2027 zetten we de eerste stappen.
Het rekeningresultaat 2025 van 30 miljoen gebruiken we in ieder geval voor het aanvullen van het weerstandsvermogen, het opvangen van prijsstijgingen in projecten door geopolitieke ontwikkelingen (zoals de fietsenstalling zuidzijde Station), de overbrugging die nodig is bij de afbuiging van het basispad Jeugdzorg/Wmo en acute vraagstukken bij culturele basisinstellingen.
We geven het college de opdracht om richting de Kadernota 2028 op basis van bovenstaande knoppen te komen met een concreet plan om nieuwe structurele en incidentele ruimte te realiseren. Die verdelen we volgens ons financieel afwegingskader.