Publicatiedatum: 28-07-2010
Archeologen zijn eigenlijk grotendeels onderzoekers van huisvuil. Dat vuil kwam meestal ergens rondom het huis terecht. Aan de hand van afval kan je iets reconstrueren over de mensen die het hebben veroorzaakt. Afval kan vertellen over wanneer men leefde, over armoede en rijkdom, en nog veel meer. Je kunt aan de hand van afval in de loop van de tijd zelfs stukjes geschiedenis reconstrueren.
Wat is er mooier voor een archeoloog zo’n geschiedenis te reconstrueren en vervolgens ook de overblijfselen van de mensen zelf terug te vinden, die het afval hebben geproduceerd? Die mensen kunnen verhalen vertellen, ook al zijn ze dood. Aan de hand van skeletresten kan je bijvoorbeeld iets zeggen over geslacht, sterfleeftijd, lengte en gezondheid.
Een voorbeeld is het skelet van een 45-jarige man, dat in 2003 werd opgegraven nabij de Oude Toren van Woensel. Hij werd in de 19de eeuw begraven langs het fundament van de middeleeuwse kerk, waarvan het schip al in 1817 gesloopt was. Aan het skelet zijn allerlei aandoeningen te lezen. Hij had een gedeeltelijke open rug (alleen op het heiligbeen), meestal een ernstige handicap, maar in dit geval niet zo erg. In zijn rug had hij een zijwaardse kromming én een bochel (in het Latijn: Gibbus). De man had ook ronde slijtageplekken in zijn gebit, veroorzaakt door veelvuldig roken uit stenen pijpen. Zijn skelet is weer vakkundig in elkaar gezet door onze collega Theo de Jong, waardoor Eindhoven alweer een fantastisch mooi museumstuk kreeg.
Telefoon: