Publicatiedatum: 02-12-2011
Op verschillende plaatsen in Eindhoven zijn door archeologen allerlei resten van dieren gevonden. Het gaat hier meestal om afval van voedsel. Het skeletmateriaal is bewaard gebleven dank zij de ligging onder water, in een zuurstofarme omgeving.
Een van die vindplaatsen is de in 2007 opgegraven waterput van het middeleeuwse klooster Mariënhage. Dit klooster is in 1420 gesticht maar werd tijdens de Tachtigjarige Oorlog grotendeels in puin geschoten. In 1629 en de jaren erna is het weer gedeeltelijk hersteld. De in 1583 verwoeste noordvleugel is nooit meer herbouwd. In dat gedeelte van het klooster bevonden zich onder meer de keuken en de eetzaal.
Het water dat nodig was in de keuken werd uit een diepe bakstenen waterput gehaald. In die waterput kwam ook allerlei voedselafval terecht. Het water werd daardoor niet meer drinkbaar.
Tijdens de opgraving is de gehele vulling van de waterput gezeefd. Onder de zeefresten bevinden zich skeletdelen van allerlei dieren, waaronder veel vissen: kabeljauw, zalm, forel, paling, karper, snoek, zeelt, brasem en baars, maar de meeste zijn van haring.
Deze resten zijn onderzocht door onze collega Theo de Jong, een expert op het gebied van dierlijk skeletmateriaal. Het ontbreken van haringbotten uit de schoudergordel duidt erop dat deze haringen zijn ‘gekaakt’. Dit kaken gebeurde door vissers en bestond uit het verwijderen van de ingewanden en delen van de kieuwen, vervolgens werden de haringen in zout bewaard in tonnen. De monniken van Mariënhage smulden mee van dit goedkope volksvoedsel.
Skeletdelen van een haring. Samengesteld uit botvondsten uit de waterput van het
middeleeuwse klooster Mariënhage
Telefoon: