Publicatiedatum: 02-12-2011
Zo’n duizend jaar geleden werd in Europa voor het eerst het vingerhoedje gebruikt. Dit nieuwe voorwerpje was bekend geworden door contacten met Arabische landen. Ze werden gebruikt voor het beschermen van vingertoppen tijdens het met een naald naaien van kleding, leren lappen, schoenen, zadels en scheepszeilen.
Er bestaan twee soorten vingerhoeden. De ene heeft een gesloten top, de ander is van boven open. De open exemplaren worden ook wel naairing of duimring genoemd. Vijfhonderd jaar na de invoering in Europa kwam het vingerhoedje ook in Eindhoven in omloop. De tijdens opgravingen in Eindhoven gevonden vingerhoedjes zijn alle gehamerd uit dunne geelkoperen plaatjes, waarna er ondiepe kuiltjes in werden gedrukt. Deze kuiltjes zorgden ervoor dat de naald niet weg kon glijden. Vingerhoedjes werden aanvankelijk hoofdzakelijk gemaakt in Neurenberg, waar ook tal van andere geelkoperen voorwerpen werden geproduceerd.
In Eindhoven zijn ze als archeologische vondst alleen bekend uit de middeleeuwse stadskern; op het vroegere platteland is er nog nooit een gevonden. Dit zou er op kunnen duiden dat de ambachten waarbij vingerhoedjes werden gebruikt uitsluitend in de stad werden uitgevoerd. In Eindhoven zal het dan vooral gaan om kleermakers, schoenmakers en andere leerbewerkers.
Dat er op het platteland geen of nauwelijks van dergelijke ambachten werden uitgevoerd is niet vreemd. De plattelanders hielden zich vooral bezig met de landbouw en veeteelt terwijl in de stad allerlei handwerkers actief waren. Dit veranderde pas in de loop van de negentiende eeuw toen ambachtslieden zich ook op het platteland mochten vestigen.
Telefoon: