Publicatiedatum: 17-11-2010
Mensen hebben elke dag een paar liter vocht nodig om niet uit te drogen. Veel vocht zit verpakt in vast voedsel, maar er moet ook gedronken worden. Vanouds vormt water de gemakkelijkst verkrijgbare drank, maar er zit geen smaak aan, evenmin geeft het energie.
In het middeleeuwse Eindhoven was water bovendien vaak niet gezond. Vooral in de stadskern, waar zich veel vervuild water bevond, kon men beter iets anders drinken. Tijdens opgravingen worden regelmatig waterputten gevonden die zijn gemaakt van bijna twee meter hoge tonnen. Aan de jaarringen in het hout kunnen we zien dat die tonnen uit het Duitse Rijnland komen, er heeft dus oorspronkelijk witte wijn in gezeten. In elke ton past zo’n 1500 liter wijn, dat destijds een algemeen gangbare drank moet zijn geweest. Tussen 1300 en 1400 wordt bier steeds populairder en de wijn steeds duurder.
In Eindhoven worden tijdens opgravingen regelmatig scherven gevonden van een soort dekseltjes. Ze zijn altijd gemaakt van hard gebakken materiaal, het zogenaamde steengoed. Op de breukvlakken is dat steengoed bijna wit en aan de buitenzijde heeft het typische gevlamde glazuur. Dit zijn kenmerken voor steengoed uit de pottenbakkerijen van Siegburg in het Duitse Rijnland. Het zijn echter geen dekseltjes, maar schaaltjes. Ze waren speciaal bedoeld voor het drinken van wijn. Deze drinkschaaltjes worden vooral gevonden op plaatsen waar welgestelde mensen hebben gewoond, met name op kasteel- en kloosterterreinen. Waarom ze zo vaak kapot vielen, daar kan je wel naar raden.
Wijnschaaltje uit omstreeks 1450.
Vanaf omstreeks 1450 werd steeds vaker gedronken uit glas en raakten de steengoed drinkschaaltjes in onbruik.
Telefoon: